Een ontdekkingstocht naar koffie :
Koffie en cafeïne, lotgenoten
1.Een gepaste hoeveelheid koffie?
Er bestaan aanbevelingen voor een billijk koffieverbruik, hoewel deze eerder een empirische waarde hebben. In de realiteit is de gevoeligheid voor cafeïne immers individueel zeer verschillend. Deze is onder meer afhankelijk van het lichaamsgewicht, de leeftijd, het geslacht maar ook van het rookgedrag. In een recent literatuuroverzicht wordt de drempel van 400 mg cafeïne vooropgesteld als zijnde onschadelijk voor de gezondheid1. Dit komt overeen met het drinken van 4 tot 5 tassen koffie per dag of 3 tassen koffie en 4 tassen thee.
Een maximale dagelijkse dosis cafeïne vooropstellen is dus niet eenvoudig. Bepaalde onderzoekers hebben verbruikslimieten vastgelegd, maar dit enkel voor bepaalde leeftijdsgroepen. Zo weet men bijvoorbeeld dat bij een man van 70 kg , een dagelijkse koffie-inname van 7 tot 8 tassen (of ongeveer 600 mg cafeïne) aanleiding kan geven tot hoofdpijn en angstgevoelens2.
De zwangerschap is een bijzonder fysiologische toestand die, uiteraard, beïnvloed wordt door het al dan niet gebruiken van cafeïne. Tijdens de zwangerschap neemt de halveringstijd van cafeïne toe en vertraagt de uitscheiding van cafeïne uit het lichaam, vooral om tijdens het laatste trimester. Tijdens deze periode is de invloed van cafeïne meer uitgesproken. Experts raden dan ook aan tijdens de zwangerschap minder koffie te drinken, met een maximum van 300 mg cafeïne per dag of circa 3 tassen koffie of bijvoorbeeld 2 tassen koffie en 2 tot 3 tassen thee. Bij kinderen wordt geadviseerd de inname van cafeïne te beperken tot maximaal 3 mg cafeïne per kg lichaamsgewicht per dag1. Zij zijn nog volop in ontwikkeling en daarom is enige terughoudendheid aan te bevelen.
2. Cafeïne, voor de ingewijden
Cafeïne is een natuurlijk bestanddeel. Chemisch gezien behoort cafeïne tot de familie van de alkaloïden en maakt het in deze familie deel uit van de groep methylxanthines. Stoffen zoals theobromine en theophylline, aanwezig in cacao, maken ook deel uit van deze groep. Cafeïne wordt zeer snel opgenomen in de darm. Na 45 minuten is zo goed als alles geabsorbeerd. Ongeveer een half uur na de inname van cafeïne treden de eerste effecten op. Bij een gezonde volwassene bedraagt de halveringstijd 2,5 tot 5 uur3, bij een pasgeborene is dit 80 uren. De halveringstijd vermindert met bijna de helft bij rokers en verdubbelt bij vrouwen die orale contraceptiva innemen.
3. Een natuurlijke stimulans
De methylxanthines, waartoe cafeïne behoort, vertonen een speciale affiniteit voor specifieke receptoren van het centraal zenuwstelsel (de adenosine receptoren). Door deze eigenschap remt cafeïne de werking van adenosine en komt het onder meer tussenbeide in processen die de waakzaamheid, slaap, angst
en
intellectuele prestaties beïnvloeden. De verminderde waakzaamheid en verminderd concentratievermogen na de maaltijd kan voor een deel door cafeïne worden tegengegaan4.
cf. Alertheid
4. Cafeïnevrije koffie
Het cafeïne aanwezig in de groene bonen, dus voor het branden van de koffie, kan nagenoeg geheel verwijderd worden. Hiervoor kunnen verschillende technieken worden toegepast. Bijvoorbeeld waterextractie, behandeling met vloeibaar koolzuurgas (koolzuur is een natuurlijk bestanddeel van de lucht), of door solventen te gebruiken. Sommige studies wijzen op de gezondheidsvoordelen van zowel cafeïnehoudende als cafeïnevrije koffie, in het bijzonder bij type 2 diabetes, wat wijst op de aanwezigheid van andere werkzame bestanddelen in koffie dan de cafeïne5.
5. Bronnen van cafeïne
Gezien cafeïne in zowat zestig verschillende planten aanwezig is, zijn de bronnen dan ook zeer talrijk en divers:
Bron: Casal, S., et al., J Agric Food Chem (2000); 48(8), 3420-3424 en www.koffieengezondheid.nl
Literatuur
- 1. Nawrot P., et al., Food Addit Contam 2003 ; 20(1) : 1-30
- 2. Snel J., Loris M.M., Tieges Z. Coffee, caffeine and cognitive performance, in Coffee, Tea, Chocolate and the Brain. A. Nehlig, Editor (2003) Taylor & Francis, Ltd : London
- 3. Ginsberg G., et al., J Toxicol Environ Health A 2004; 67(4): 297-329
- 4. Smith, A.P., et al., Neuropsychobiology 1990; 23:160-163
- 5. Van Dam, R., et al., Diabetes Care, 29, 398-403, 2006